| 26. sept 04 |
In Geuren en
Kleuren
- Zintuigen hebben een
belangrijke functie voor het goed uitvoeren van ons beroep als buschauffeur. De
ogen zijn daarbij natuurlijk een van de belangrijkste, maar soms wordt er ook
een aanslag gedaan op andere zintuigen, zoals de neus.
- Het is alweer ruim een jaar
geleden dat er een man de bus instapte die een geur bij zich droeg die bijna
ondraaglijk was. Tot overmaat van ramp ging hij ook nog op de ‘praatstoel’
zitten, waardoor de wolk van afschuw mij bij het rijden sterk hinderde. Het
zijraampje open zetten hielp niet en ik durfde de man niet te vragen om naar
achteren te gaan. Het leek erop dat hij zich maanden niet gewassen had en ik
begon mij af te vragen wat de oorzaak hiervan was. Maar zoals mij de laatste
tijd zo dikwijls gebeurde, kwam het antwoord vanzelf.
- Hij drukte op de stopknop,
hetgeen bij mij een zucht van verlichting teweeg bracht.
- “Hè, hè ik ben bijna thuis”,
sprak de man terwijl hij enigszins moeizaam omhoog kwam, “en dan gauw onder de
douche!”
- Ik kon de woorden “het zal tijd
worden” net inslikken en zei in plaats daarvan: “Hoezo?”
- Daar kwam het antwoord: “Ik heb
de vierdaagse van Nijmegen gelopen en ben nu wel toe aan een verfrissing.”
- Dat was het dus en met
overtuiging zei ik: “Een schone avond dan nog.”
-
- Ik moest aan dit voorval denken
toen het deze zomer zo ontzettend heet was en ik een andere ‘geur’ in de bus
kreeg.
- De druppels zweet liepen over
mijn gezicht mijn nek in en de lucht die ik ademde was zwaar van de warmte. Het
open raam werkte meer als verwarming dan dat het koelte bracht. Ik hield mezelf
gemotiveerd door te denken dat als ik niets zou doen het ook warm zou zijn en
werken dus wel als welkome afleiding gezien kon worden.
- Toen stapte ze binnen. Een
vrouw van rond de 40. Een walm van parfum begeleidde haar en ook zij ging op de
‘praatstoel’ zitten.
- Ik voelde me onwel worden, het
kokhalzen kon ik nog net onderdrukken, maar de draaierigheid in mijn maagstreek
bleef. Ik realiseerde me dat er iets moest gebeuren. Twee mogelijkheden kwamen
aan mij voorbij. De bus aan de kant zetten en eruit stappen, maar ik was al laat
en ik koos dus voor de tweede, wat minder elegante, oplossing: “Mevrouw, zou u
zo vriendelijk willen zijn om wat meer naar achteren te gaan zitten?”
- “Waarom?’ Het was een antwoord
dat ik min of meer verwacht had en ik zei naar eer en geweten dat haar parfum
mij enorme last gaf en dat dit voor de veiligheid van het rijden hinderlijk was.
“Sorry, ik kan er niet tegen!”
- Ze zei niets meer, maar ging
wel naar achteren.
- Ik kon weer ‘gezonde’ lucht
inademen en vond het dit keer niet erg om niet aardig gevonden te worden. Ik had
ongelukken voorkomen. In een flits zag ik een krantenkop:
-
-
busongeluk door parfum.
-
- Minder gevaarlijk zijn ander ‘strelingen’ voor de neus,
zoals aftershave, knoflook, deodorants en niet te vergeten alcoholische dranken.
Het meest geïrriteerd raak ik echter als een roker instapt, want de échte roker
neemt eerst een flinke haal van zijn sigaret, gooit deze achteloos weg en
blaast de nicotine uit terwijl hij de bus instapt. Arme neus!
-
- Gelukkig kan ik mijn energie
weer oppoetsen als ik bijvoorbeeld over de Utrechtse heuvelrug door de bossen
rijd en dan die heerlijke bosgeur naar binnen laat. Heerlijk, vooral zo ’s
morgens vroeg als de zon zijn lichtstralen als schijnwerper door de bomen
strooit.
Naar boven |