De Bourke parkiet heeft een voorkeur voor droge en halfdroge terreinen met acaciastruiken waar de jaarlijkse regeval niet boven de 250 mm komt. Het is een typisch voorbeeld van de diersoorten van het Australische binnenland: bij ideale voedselomstandigheden (na voldoende regen) bereikt de Bourke een grote verspreiding en dichtheid. Als de voedselsituatie slechter wordt kan de soort in omvang sterk teruglopen. Deze vogels worden in de natuur niet zo veel waargenomen, omdat ze in een gebied thuishoren dat niet bewoond is en waar weinig mensen komen; een tweede oorzaak is dat ze vooral in de vroege morgen en in de schemering actief zijn, waardoor ze mede door hun goede schutkleur niet opvallen. Ze komen soms zelfs s nachts in beweging, vooral bij heldere maan. De waarnemer kan ze dan zelfs hóren vliegen. Deze nachtelijke activiteiten verklaren waarom deze parkieten zulke grote ogen hebben. Gewoonlijk komen ze in paren of kleine groepen voor; in tijden van droogte kunnen er wel honderd of meer bij waterplaatsen worden aangetroffen. Ze trekken rond, afhankelijk van de weersomstandigheden, en het is niet of nauwelijks te voorspellen waar ze wel of niet kunnen worden gevonden